De horror van de vleeskalverindustrie

k

Ruim 1.800.000 vleeskalfjes van nog geen jaar oud worden jaarlijks gedood in Nederlandse en Belgische slachthuizen. Met een vleeskalf wordt een kalf bedoeld dat op jonge leeftijd in een stal op een vleeskalverhouderij terechtkomt, om daar opgefokt te worden ten behoeve van de productie van kalfsvlees. Het gros van de kalveren die terecht komen in de vleesindustrie zijn in feite ‘afdankertjes’ van de zuivelindustrie.

Herkomst van de kalfjes
De vleeskalversector is ontstaan uit de melkveehouderij. De productie van zuivelproducten is onlosmakelijk verbonden met de geboorte van kalveren. Om een koe melk te laten produceren moet ze elk jaar een kalf krijgen. Er worden veel meer kalfjes geboren dan er nodig zijn voor de vervanging van oude melkkoeien. Meer dan de helft van de kalfjes die geboren worden in de zuivelindustrie komt terecht in de vleeskalverindustrie.

De meeste vleeskalveren zijn mannelijke dieren. De ‘stiertjes’ zijn immers van geen nut in de melkveehouderij. Maar ook een aanzienlijk deel van de vrouwelijke kalfjes komt terecht in de vleesindustrie omdat een gemiddeld melkveebedrijf jaarlijks hooguit 30 % van zijn melkkoeien vervangt.

Kalfsvleesproductie
De vleeskalveren worden gebruikt voor de productie van ‘blank’ kalfsvlees of van ‘rosé’ kalfsvlees. Het verschil van kleur ligt aan de slachtleeftijd en het voederpatroon. Blank kalfsvlees is afkomstig van kalfjes die 7 tot 8 maanden opgefokt werden met kunstmelk. Voor de productie van rosé kalfsvlees worden de kalveren op een rantsoen van kracht- en ruwvoeder gehouden om op de leeftijd van tien à twaalf maanden geslacht te worden.

Levensomstandigheden van vleeskalfjes
De vleeskalfjes worden geboren als ‘bijproduct’ in de melkveehouderij. Vrijwel onmiddellijk na de geboorte worden de kalfjes gescheiden van hun moeders. De moederkoe mag haar jong niet zogen. De bedoeling van de melkveefokker is immers: zoveel mogelijk geld verdienen met de koemelk door ze te verkopen voor menselijke consumptie. De kalfjes moeten overleven op een dieet van kunstmelk.

Als de kalfjes twee weken oud zijn worden ze vervoerd naar een kalverhouderij om opgefokt te worden voor de slacht. Tot ze 8 weken oud zijn verblijven ze in ‘eenlingboxen’. De eenlingboxen hebben wanden die zo gemaakt zijn dat de kalveren elkaar kunnen zien en aanraken. Maar de kalfjes hebben amper beweegruimte in de boxen: de breedte van de box is de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het kalf rechtop staat. De lengte is 1,1 keer de lichaamslengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel.

Vanaf de leeftijd van 8 weken is groepshuisvesting verplicht door de Europese wetgeving. De opgroeiende kalfjes zijn in groepen ondergebracht in stallen waar ze zullen verblijven tot ze ‘slachtrijp’ zijn. Meestal wordt de groepshuisvesting uitgevoerd in kleine groepen (minder dan 10 dieren). Naargelang het lichaamsgewicht heeft een kalf ‘recht’ op wettelijk vastgelegde stalruimte: 1,5 m2 per kalf van minder dan 150 kilogram, 1,7 m2 per kalf van 150 kilogram tot 220 kilogram en 1,8 m2 per kalf van 220 kilogram of meer. De stalvloeren bestaan gewoonlijk uit hardhouten roosters, betonroosters met een rubber toplaag of kunststof roosters. De kalveren brengen heel hun leven door binnen de stalmuren, ze gaan nooit naar buiten. Naar schatting 99% van de vleeskalverstallen in Vlaanderen (en Europa) zijn van dit type.

In Nederland, een grote wereldproducent van kalfsvlees, komt ook huisvesting voor in grotere groepen van 35 tot 70 dieren. Daarnaast vind je in Nederland ook ‘tweevloerenstallen’. Een tweevloerenstal bestaat uit een ingestrooide ligruimte en een loop/eetruimte voorzien van betonroosters. In de grotere groepssystemen hebben de kalveren wat meer bewegingsruimte, maar naar buiten gaan is er niet bij.

Transport
Jonge vleeskalfjes worden een eerste maal op transport gezet om van het herkomstbedrijf vervoerd te worden naar de kalverhouderij. Als de dieren ‘slachtrijp’ zijn worden ze opnieuw op vrachtwagens gezet om vervoerd te worden naar hun eindbestemming: het slachthuis. De kalveren worden bedwelmd met een schietmasker of met elektrische stroom. Vervolgens worden ze ondersteboven gehesen aan vleeshaken om gekeeld te worden.

De vleeskalveren zijn afkomstig uit binnen- en buitenlandse melkveebedrijven. In 2013 kwamen 850.000 kalveren naar Nederland. 23.000 kalveren werden getransporteerd naar het buitenland, waarvan 14.000 kalveren buiten Europa. België exporteerde 70.000 kalveren in 2014 en importeerde 100.000 kalveren. In kleine beperkte ruimten worden de dieren vervoerd. De bestemming, de afstand en de weersomstandigheden bepalen de mate van stress, angst en pijn die de dieren moeten doorstaan tijdens het transport.

Welzijns- en gezondheidsproblemen in de kalverhouderij

Beperkingen in gedrag
De snelle scheiding van de moederdieren en jongen in de kalverhouderij is een traumatische ervaring, zowel voor de moederkoe als voor het kalf. In natuurlijke omstandigheden drinken kalfjes zes tot twaalf maanden bij de moederkoe. In de kalverhouderij hebben de dieren niet de mogelijkheid om hun natuurlijke gedrag te kunnen vertonen. Moederkoeien hebben een sterk moederinstinct en ervaren intens verdriet wanneer hun jong wordt weggehaald. De kalfjes krijgen niet de moederlijke aandacht en zorg die essentieel zijn voor de sociale ontwikkeling van elk jong levend wezen.

De kalveren brengen heel hun leven door in een stal. Ze mogen niet naar buiten, omdat dit niet verenigbaar is met het ‘productiedoel’: het vlees van de kalveren zou niet meer de gewenste blank/rosé kleur hebben als ze in een weide gegraasd hebben. Vleeskalveren liggen een groot deel van de dag. Ze liggen bij voorkeur tegen de wanden en in de hoeken van het hok. Ze worden enkele keren per dag gevoerd en een groot deel van de dag is geen voer beschikbaar. Voor het uitvoeren van aangeboren en aangeleerd gedrag (bijvoorbeeld speelgedrag) is geen ruimte in de stal.

Het gebrek aan weidegang is niet alleen een beperking in het gedrag van de kalveren, maar tast ook hun fysieke gezondheid aan. Weidegang heeft een positieve invloed op klauw- en beengezondheid. De met urine en mest bevuilde harde stalvloeren hebben als gevolg dat klauwen week worden. Dit werkt slijtage, beschadigingen en infectueuze aandoeningen aan klauwen en poten in de hand.

Ziekten in de kalverhouderij
Het ‘verhuizen’ van de kalveren van het bedrijf waar ze geboren werden naar een kalverhouderij zorgt meteen al voor problemen. De kalveren komen van de boerderij van herkomst naar verzamelplaatsen en gaan dan naar de kalverhouders. Dit betekent dat er dieren van veel verschillende herkomsten, na een vaak lange en stressvolle reis in een vreemde omgeving met andere huisvesting en een ander klimaat komen. Al deze stresserende factoren hebben een nadelige invloed op de natuurlijke weerstand van de dieren. De kalfjes zijn zeer vatbaar voor infecties. Luchtweginfecties en diarree zijn de voornaamste oorzaak van uitval tijdens de eerste weken in de kalverhouderij.

Luchtweginfecties
Verschillende soorten bacteriën, virussen en parasieten kunnen aan de basis liggen van luchtweginfecties bij kalveren. Naast de aanwezigheid van deze ziektekiemen zijn ook omgevingsfactoren zoals klimaat, huisvesting, ventilatie en vochtigheidsgraad, en de weerstand van het dier erg belangrijk. Al deze factoren samen kunnen ervoor zorgen dat het dier te maken krijgt met een luchtweginfectie die kan uitbreiden tot een longontsteking. Dit ziektebeeld wordt ook wel BRD (Bovine Respiratory Disease) genoemd. BRD is één van de meest voorkomende kalverziekten wereldwijd.

Diarree
Diarree komt veelvuldig en in alle leeftijdsfasen voor bij kalfjes in de kalverhouderij. Diarree kan het gevolg zijn van stresserende omstandigheden zoals de verhuizing van het herkomstbedrijf naar de kalverhouderij, veranderingen in voedingspatroon etc… Diarree wordt vaak ook veroorzaakt door ziektekiemen zoals parasieten, bacteriën en virussen. Diarree leidt tot ernstig verlies van lichaamswater en zouten, wat de dood tot gevolg kan hebben.

Voerbeperkingen bij ‘blankvleeskalveren’
De kleur van kalfsvlees is het resultaat van het soort voeding dat de dieren tijdens hun leven gekregen hebben. Om het vlees ‘wit’ te houden moeten de kalfjes overleven op speciale diëten. ‘Blank’ kalfsvlees is het resultaat van een laag ijzergehalte in het bloed van het slachtdier. De kalfjes die dienen voor de productie van ‘blank vlees’ krijgen daarom voeding die weinig ijzer bevat. Ze krijgen precies genoeg ijzer om net geen bloedarmoede te krijgen. De Europese regelgeving bepaalt dat het hemoglobinegehalte in het bloed gemiddeld minimaal 4.5 mmol/l moet zijn. Dat is de grens waaronder bloedarmoede gedefinieerd is. Als het cijfer lager is, zijn de kalveren ziek. Om ervoor te waken dat het hemoglobinegehalte niet te laag zakt, worden regelmatig bloedstalen genomen bij de kalfjes. Er wordt echter enkel gekeken naar de resultaten op groepsniveau, waardoor er in een groep kalveren toch nog dieren kunnen zijn die aan bloedarmoede lijden, zonder dat het opvalt in het groepsresultaat.

Blankvleeskalveren worden ook nog eens sterk beperkt in vezelrijk ruwvoer (tot minimaal 250 g dier/dag aan het eind van de mestperiode). Hierdoor worden ze beperkt in hun natuurlijk vreet- en herkauwgedrag, wat resulteert in stereotiep gedrag als tongspelen en tongrollen. Bovendien kunnen kalveren door gebrek aan ruwvoer geen goede maagwerking op gang brengen, waardoor maagzweren kunnen ontstaan.

Sterfte in de kalverhouderij
1 % van alle kalveren die afgevoerd worden van Nederlandse melkveebedrijven wordt meteen al afgemaakt. Dat komt neer op 200 kalveren per week die geëuthanaseerd of afgevoerd worden naar het slachthuis. Deze kalfjes werden door de kalverhouderijbedrijven op voorhand al ‘te licht bevonden’ om nog kosten in te stoppen.

De Nederlandse vleeskalverensector beschikt over uitvalcijfers van vleeskalveren tijdens de opfok, maar stelt ze niet beschikbaar voor het publiek. Wel zijn er cijfers beschikbaar van I&R en Rendac over kalversterfte ‘algemeen’ (alle soorten kalveren, niet enkel bestemd voor de productie van kalfsvlees)

De kalversterfte in Nederland ligt hoog: 8,2% voor kalveren tot 3 dagen en 10,8% voor kalveren vanaf 3 dagen tot een jaar. Het sterftecijfer van 8,2% geldt voor niet-geoormerkte kalveren, jonger dan drie dagen. Hieronder vallen verworpen foetussen, doodgeboren dieren en kalveren die zijn overleden voordat ze geoormerkt zijn. De 10,8% sterfte geldt voor geoormerkte kalveren vanaf 3 dagen.

Kerncijfers kalversector
In Nederland zijn er ruim 2000 kalverhouderijen. In december 2015 bedroeg de vleeskalverenstapel in Nederland 955.000 vleeskalveren, waarvan 579.000 kalveren voor de productie van blank vlees, en 376.000 kalveren voor de productie van rosé vlees. In het jaar 2015 werden 1.455.500 kalveren geslacht in Nederlandse slachthuizen.

De Belgische kalverhouderij situeert zich voor 97 procent in Vlaanderen. Driekwart van de kalverhouders is in de Kempen gevestigd. In België wordt voornamelijk ‘blank’ kalfsvlees geproduceerd. Eind 2015 bedroeg de Belgische vleeskalverenstapel 183.121 stuks. 353.474 vleeskalveren werden in 2015 geslacht in Belgische slachthuizen.

Bron: Animal Rights

Zie ook:

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s